Blog

 

 

 

 

 

De theetuinen van Sri Lanka

Sri Lanka theeplukster

The soil.
The elevation.
The climate.
The sunshine.
The rain.
The tea.

Sri Lanka. Ik kan soms niet geloven dat ik in dat prachtige land ben geweest. Nog geen twee maanden geleden deed ik met mijn pots de crème mee aan een prijsvraag van Fairtrade Nederland. Dat ik zou winnen had ik nooit voor mogelijk gehouden. 

Het lukte me niet meteen om mijn gedachten over deze bijzondere reis op papier te zetten. Ik vond het zo overweldigend, vandaar dat ik even de tijd heb genomen om alles te ordenen. Zowel in mijn hoofd als op papier.

We waren slechts een week in Sri Lanka, maar we hebben iedere dag zo intens beleefd dat het veel langer lijkt als ik er weer aan denk. Daarom heb ik besloten om mijn reisverslag in drieën te delen: de theetuinen, ons bezoek aan de kokosboeren en mijn algehele indruk van het eiland.

En surprise, surprise, ik trap af met een post over de theeplantages. Zonder mijn theerecept zou ik per slot van rekening nooit in Sri Lanka zijn beland. 

Voordat ik losbarst even wat FIY's. Als ik het in deze post over wij of ons heb, bedoel ik mijn reisgezelschap natuurlijk. Ik was niet de enige mazzelaar die mee mocht naar de andere kant van de wereld. Onze groep bestond uit Maura van Yellow lemon tree, Diane van Cuisine de Clementine, Carlijn die onder andere voor Vogue schrijft, onze fotograaf Ernie en Jonne en Judith die voor Fairtrade Nederland werken. En als ik het over Fairtrade Nederland heb, dan heb ik het ook over Max Havelaar, want dat is een en dezelfde organisatie (Stichting Max Havelaar is eigenaar van het Fairtrade keurmerk in Nederland). 

Zeg je Sri Lanka, dan zeg je Ceylon en zeg je Ceylon dan zeg je thee. Je loopt niet zomaar tegen die thee aan. Om bij de adembenemende theetuinen te komen, moet je eerst urenlang in de auto zitten.

Op de eerste volle dag in Sri Lanka zaten we daarom al om zes uur 's ochtends in ons busje. Het eiland is in principe niet veel groter dan Nederland en België bij elkaar, maar het verkeer zit íetsje anders in elkaar. Er wordt weliswaar continu ingehaald, maar de snelheid ligt niet zo hoog. Over een reis van ruim 200 kilometer deden we dan ook een hele dag. Onderweg keek ik mijn ogen uit, maar daarover meer in een latere post. Laat ik zeggen dat ik erg onder de indruk was van al het groen, het chaotische verkeer, de vele fruitstalletjes en al het andere dat ik zag. Toch kon ik het niet laten om een dutje te doen, want de jetlag kreeg uiteindelijk de overhand. 

Hoe verder we het binnenland in reden, hoe bergachtiger het landschap werd. Vlak voordat de zon onderging zagen we de eerste theevelden en -fabrieken. Na een prachtige rit door talloze dorpjes en in mist gehulde bergen kwamen we 's avonds aan op Loinorn Tea Estate, een plantage die in 1876 door de Britten is opgericht en sinds 2010 Fairtrade gecertificeerd is. Wij verbleven in het gastenverblijf, op zo'n 1.5 kilometer boven de zeespiegel. 

De koks zaten al op ons te wachten. Op tafel stonden heerlijke gerechten, waaronder een lekkere aardappelcurry, gele rijst, vis en pittige boontjes. Deze echte Sri Lankaanse maaltijd ging er na zo'n lange rit goed in. 

Ik sliep samen met Maura en Diane in een van de bovenste verblijven. Toen we de volgende ochtend wakker werden 'ontdekten' we pas ons uitzicht: een groene oase van theestruiken en in de verte Adam's Peak, de heilige berg voor gelovigen in Sri Lanka.

Het ontbijt was al net zo'n verrassing als het uitzicht. We konden kiezen uit vers fruit op tafel zoals papaja, banaan en mango en uit gerechten als daal, kokos met sambal en chapati. Ik was nog nooit in een tropisch land geweest, maar het fruit smaakt echt zo anders dan bij ons. Verder stond er natuurlijk thee klaar. Behoorlijk sterke thee. De eerste dagen koos ik nog voor plain tea (zonder melk en suiker), maar later besloot ik het toch aan te lengen met water of melk. 

Met een volle maag gingen we naar beneden, naar de theevelden. Loinorn maakt deel uit van Bogawantalawa Tea Estates. Bogawantalawa bestaat in totaal uit dertien plantages (waarvan er zeven Fairtrade gecertificeerd zijn). Het is een van de belangrijkste theeleveranciers in Sri Lanka en staat bekend als de Golden Valley of Ceylon Tea. In het gebied staan ruim 39 miljoen theestruiken! 

Bij het spiksplinternieuwe IT-gebouw van de plantage werden we door de manager en leden van de Joint Body ontvangen. De Joint Body is een commissie waarin het management en arbeiders zijn vertegenwoordigd. Samen beslissen ze democratisch hoe de premie die ze van Fairtrade krijgen, wordt ingezet.

We kregen een prachtige bloemenketting omgehangen en een stip op ons voorhoofd gedrukt. Veel theepluksters zijn Tamil. De meeste Tamils zijn hindoeïstisch en leven in het noorden en het oosten van Sri Lanka.

In het IT-gebouw moesten we een voor een kaarsjes op een altaar aansteken. Na dit ritueel kregen we een korte presentatie van de manager. Hij vertelde ons wat er op de plantage is veranderd sinds de Fairtrade-certificatie.

Met de premie zijn onder meer warme jassen, lunchboxen, thermosflessen en speciale scharen om thee mee te plukken bekostigd. Op één investering in het bijzonder zijn ze erg trots: de blauwe theezakken die de pluksters op hun rug dragen. In deze zakken kunnen meer blaadjes dan in de traditionele rieten manden. Ook belasten ze de pluksters minder, omdat de zakken minder zwaar zijn. Je ziet ze op dit moment alleen nog maar op Loinorn, want daar zijn ze bedacht en gemaakt. De plantage heeft dan ook de prijs gewonnen voor de meest innovatieve theetuin van Sri Lanka. 

Er is niet alleen voorzien in het dagelijkse gemak van de werknemers. Ook het leven op de plantage is er sinds 2010 beter op geworden. Zo wordt er aan waterconservatie gedaan, scheiden ze het afval en staan overal borden met “no child labor” en “don’t cut trees”.

Daarnaast is op sociaal gebied ook veel veranderd sinds Loinorn fairtrade gecertificeerd is. Het ziekenhuis is opgeknapt, er staat sinds kort dus een IT training centre op het terrein waar kinderen computerles krijgen, er zijn uniformen en schoolboeken gekocht voor kinderen die op de plantage wonen en in de theevelden staan tegenwoordig toiletten. Natuurlijk, mensen hier zijn nog steeds erg arm, maar je ziet wel dat ze de levenskwaliteit proberen te verbeteren. 

Zo'n plantage is trouwens niet alleen een werkplek, maar ook een groot dorp. Er wonen ruim 4000 mensen op Loinorn, terwijl er maar zo'n 950 werknemers zijn. In de straten zie je veel mensen die niet aan het werk zijn. Vaak zijn het oudere mannen en vrouwen die 'met pensioen' zijn en op de kleinkinderen passen. Sportactiviteiten en feesten zijn ook een belangrijk onderdeel van het leven op de plantage. Zo stond er op de tafel in het IT-centrum een grote bokaal die de werknemers hadden gewonnen met een vierde plaats op een volleybaltoernooi voor theeplantages. 

Na de presentatie van de manager begon het leukste gedeelte van de dag. We mochten vragen stellen aan leden van de Joint Body en daarna zouden we de tuinen in om daar te kijken hoe een dag van een theeplukster eruit ziet. 

De Joint Body bestaat uit ongeveer twintig mensen. Dit bestuur is opgericht om de werknemers op de plantage te representeren en te beschermen.

Ze richten zich vooral op educatie, ontwikkeling en het verbeteren van de levenskwaliteit op de plantage. We vroegen de leden wat hun volgende investering zou worden. Daar konden ze moeilijk op antwoorden, aangezien de meeste mensen hier van dag tot dag leven en niet, zoals wij vaak doen, zo ver vooruit kijken. Toch kwam er uiteindelijk iets uit ze: een school voor hun kinderen, want die is er nu nog niet. 

Toen we weer buiten stonden, zagen we een dreigende lucht. Felix, de contactpersoon van Fairtrade International die met ons meereisde, had ons 's ochtends al gewaarschuwd: "Na twaalven gaat het hier vaak regenen, dus we moeten opschieten." Dus hup in de auto richting de thee. 

Overal zagen we groene heuvels met in de verte blauwe stipjes, de pluksters. Toen we bij een van de theevelden stopten kwamen ze een voor een naar ons toe. De vrouwen wilden zich per se aan ons voorstellen, met hun Fairtrade jassen aan. Op een gegeven moment stonden er misschien wel dertig pluksters voor ons.

De vrouwen plukken met de theeblaadjes met de hand. Vervolgens gooien ze de bladeren in de zak op hun rug. Theepluksters in Loinorn moeten van de plantage 14 kilo per dag plukken. Extra kilo’s betekent een bonus bovenop hun salaris. Dus je kunt je voorstellen dat rustig kletsen onder werktijd er niet bij is.

We spraken met Mjithily, een 32-jarige theeplukster. Ze werkt nu vier jaar op Loinorn en woont samen met haar man, haar twee kinderen en haar tante op de plantage. 

Mjithily begint om acht uur 's ochtends met werken en stopt om iets voor drie. Natuurlijk is er theepauze en rond een uur of half een wordt er geluncht. De plukster heeft van de Fairtrade premie een lunchbox en een thermosfles gekregen. Van de plantage krijgt ze iedere maand een halve kilo thee mee naar huis. "Genoeg voor het hele gezin", zei ze lachend. 

Mjithily vult op een dag gemiddeld 7 tot 8 zakken met bladeren. Dat komt neer op twintig kilo. De extra kilo’s betekenen dus een bonus op het salaris voor Mjithily. Haar man heeft een kleine onderneming en verkoopt groente. 

De kinderen van Mjithily zijn nog te jong om naar school te gaan. De plukster mag ’s middags een half uurtje eerder stoppen om haar kinderen van de opvang op te halen. Ze vertelde ons dat ze blij is dat ze zich tijdens haar werk niet druk hoeft te maken om haar kinderen, want die zijn in goede handen. “Ik vind het niet leuk dat ik ze niet zie, want ik ben toch hun moeder, maar dit is goed zo.”  

Anders dan de meeste Sri Lankanen houdt Mjithily trouwens van plain tea: “zonder melk en niet te sterk.” Na het werk kookt ze voor haar gezin en zorgt ze voor haar kinderen.  In haar tuin verbouwt ze bieten, wortelen en kool. Haar favoriete Sri Lankaanse gerecht is Kiribath, rijst met kokosmelk.

Na deze leuke ontmoeting gingen we naar het huis van een van de Joint Body-leden. Daar kregen we nog een mierzoete bak thee met melk. Voor de woning kwamen steeds meer mensen staan. Het moet ook een bizar gezicht voor ze zijn geweest. Een groep westerlingen met enorme camera's en allemaal notitieboekjes. Maar wij waren net zo nieuwsgierig naar hen als zij naar ons. Vooral de kinderen wilden van alles weten. “What’s your name? What’s your father’s name? What’s your mother’s name? You’re beautiful! Friends? High five!" De schatten! 

We sloten de dag af met (je raadt het al) een bakje thee bij de manager thuis, maar ik had net zo lief nog uren naar die beeldschone theevelden willen staren. Wat een schitterend uitzicht. De laaghangende bewolking, de warme zon die er zo nu en dan doorkwam, de intens groene theestruiken, kleurrijke bloemen en bomen en het tsjilpen van de vogels. Nee, het voelde absoluut niet aan als december.

We gingen terug naar ons gastenverblijf en daar heb ik Felix wat uitgebreider gesproken over het Fairtrade-certificatieproces (terwijl Maura, Diane en Carlijn werden aangevallen door hongerige bloedzuigers. De volgende dag droegen we allemaal dichte schoenen). Felix vertelde me dat van de dertien plantages in Bogawantalawa er op dit moment zeven gecertificeerd zijn. Felix bezoekt plantages, geeft trainingen en houdt de vinger aan de pols tijdens en na het certificatieproces.

Als een plantage eenmaal gecertificeerd is, kan het zo zijn dat er maar een klein deel van de productie onder Fairtradevoorwaarden wordt verkocht. Voor de overige verkoop ontvangt de theetuin geen premie. Gelukkig is de premie wel zo hoog dat alle werknemers ook dan nog voordeel hebben van de certificatie. Ik vroeg Felix hoe je ervoor kunt zorgen dat meer bedrijven de thee onder Fairtradevoorwaarden inkopen en de plantages dus meer premie krijgen.  

Hij legde me uit dat het van de vraag afhangt. Als meer consumenten Fairtrade thee willen kopen, dan zijn bedrijven geneigd om naar de voorwaarden te informeren bij plantages zoals Bogawantalawa, waar ze inkopen. Maar het hangt niet alleen van de vraag af. Als theeplantages goed aantonen wat er met de premie wordt gedaan, dan kunnen bedrijven dat aan de consument laten zien. De consument is dan misschien geneigd om vaker Fairtrade thee te kopen omdat ze resultaat zien. 

Dit is waar het nog niet zo goed gaat. De managers zijn nog niet ervaren genoeg in het overbrengen van wat er al is bereikt. Ze vertellen wel waar het geld aan is uitgegeven, maar vergeten het positieve effect van die investeringen te vermelden. Binnenkort worden ze daarin getraind. Ik vond het zo interessant om meer over dit proces te leren. Eerlijk gezegd heb ik er nooit bij stilgestaan hoe fairtrade precies werkt. Ik denk dat iedereen wel een algemeen beeld heeft, maar dat het zo in elkaar steekt, wist ik niet. Bij plantages werkt het trouwens anders dan bij zelfstandige boeren, maar daar vertel ik wat meer over in een volgende post over kokos. 

'S avonds mochten we in de keuken toekijken hoe onze koks roti met vis, groente en kip maakten. Ik ben echt fan geworden van de Sri Lankaanse keuken. Zo smaakvol (en pittig)! We gingen vroeg naar bed, want er zat opnieuw een lange reisdag aan te komen. We genoten van ons laatste ontbijt. In een paar dagen tijd was ik best gehecht geraakt aan de daal, de coconut sambol en de chapati's. Hoewel de nachten op Loinorn koud en vochtig waren, het matras hard en de bloedzuigers vies, is het een plek om nooit te vergeten.  

De volgende dag gingen we naar Norwood, net als Loinorn ook Fairtrade gecertificeerd en onderdeel van Bogawantalawa.

Het eerste wat we zagen toen we de plantage op kwamen rijden, was een grote nieuwe fabriek in aanbouw. "Speciaal voor de groene thee", vertelde de manager. Aan de andere kant stond de fabriek waar ze zwarte thee maken. Daar kregen we een rondleiding van de manager. Stap voor stap zagen we hoe de blaadjes uiteindelijk veranderen in fijne thee. 

In de fabriek staan ongeveer twintig machines. Het proces begint op 'zolder'. Daar worden de geplukte blaadjes gebracht en gedroogd. Vervolgens gaan ze via pijpen naar beneden en worden ze meerdere keren platgerold en fijngehakt. Op een dag worden wel 10.000 kilo blaadjes in de fabriek verwerkt. De machines kunnen ze afstellen zodat ze verschillende types zwarte thee kunnen maken, van heel fijn tot grof. Ze worden aangeduid als Dusts, Fannings en BOP (Broken Orange Pekoe). 

Zodra de thee fijn is, moet het anderhalf uur op een speciale tafel liggen. Hier oxideert de thee en krijgt het de typerende donkere kleur (dit doen ze dus niet met groene thee). Vervolgens gaat het een oven in waar het laatste beetje vocht eruit wordt gehaald. Uiteindelijk ligt de thee in grote pakketten te wachten totdat het wordt verscheept. 

Na de uitgebreide rondleiding bezochten we nog een hele speciale plukster: Sukurtala Devi. Zij is de beste plukster van Norwoord en kan wel 75 kilo bladeren op een dag plukken. Met de hand! Volgens de manager is ze zo goed omdat ze niet alleen de blaadjes snel plukt, maar zich ook erg snel tussen de verschillende struiken beweegt. Sukurtala's hele familie werkt in de thee-industrie. Haar man is tuinman op de plantage en samen hebben ze drie jongens. Ze werkt zes dagen per week. Haar hobby: ze kijkt graag naar soaps op tv. Sukurtala komt in het voorjaar naar Nederland om over haar leven in Sri Lanka te vertellen.  

En toen was het tijd om afscheid te nemen van de gouden theevallei. We waren al met al nog geen 48 uur in de regio, maar het voelde alsof ik er al een week was. Zo veel geleerd, zo veel gezien en zo veel gedaan. Als je ooit in Sri Lanka bent, raad ik je aan om het theegebied te bezoeken. Het zal je vakantie sowieso verrijken, dat beloof ik je!